2.2 Invloed van de televisie

In het boek Tegels lichten uit 1972 omschrijft H.J.A. Hofland welke invloed televisie, volgens hem, op dagbladen, de politiek en het publiek heeft:

‘Zonder een verzekerde massale verspreiding zijn open brieven en manifesten meestal gebrekkige middelen. Zeker in die tijd (’58 – ’59, SP) konden dagbladen ermee doen wat ze wilden door de tekst te bekorten, een selectie te maken uit de namen van de ondertekenaars, en er een kop boven te zetten, die de bedoelingen vertekende of absurd en belachelijk maakte.
Door de groei van de televisie is deze tactiek langzamerhand veel moeilijker geworden. Als de tijden zwaar zijn en enige opwinding zich van het publiek schijnt te hebben meester gemaakt, komen vooral de actualiteitenprogramma’s van de omroepen goed tot hun recht. Manifestanten kunnen zich bijvoorbeeld laten interviewen, en ongeacht de sfeer waarin zij optreden, vriendschappelijk of vijandig, reclame voor hun zaak maken. In controversiële kwesties is altijd een deel van de pers daarna bereid om er een rel van te maken.
Onder gunstige omstandigheden kan zo op basis van een openbaar geschrift met een kleine verspreiding een nationale kwestie worden gebouwd. Het beeld, het zichtbaar gemaakte woord is algemeen verstaanbaar, en door de algemene verbreidheid van de televisie bestaat er geen overtuigend alibi op grond waarvan andere media en instanties kunnen verzwijgen wat eenmaal op het scherm vertoond is. Vooropgesteld natuurlijk dat de zaak waarom het gaat een algemeen verstaanbare betekenis heeft. Alleen het aanstichten van een collectieve verontwaardiging kan in zo’n geval (van onwelkome onthullingen, beschuldigingen, zogenaamde gevaarlijke opinies) weer voor herstel van het evenwicht zorgen.’ 1

Uit de jaren zestig zijn mij geen fictieve romans bekend waarin televisiejournalisten als hoofdpersonage optreden.2 In de ‘sriller’-reeks van Rinus Ferdinandusse spelen de, op dat moment actuele, ontwikkelingen wél een grote rol. Als bijfiguren treden dan ook televisiejournalisten op. Onderstaand citaat bevestigt het beeld van de televisiejournalistiek dat H.J.A. Hofland hiervoor al beschreef.

‘Toen ik terugkwam zat Hans H. Huberne aan het tafeltje bij Aad Miljoen. Ze spraken over Van Slamsnout en Huberne gaf de man gelijk. “Er is een linkse terreur in Nederland,” zei Huberne. “Elke TV- actualiteitenrubriek maakt zich er schuldig aan. Ze noemen het journalistiek interviewen of hard interviewen, maar het is in wezen terreur.”
“Je lult,” zei Aad, “ik vraag alleen wat ik weten wil. Ik zit daar niet om iemand zo aangenaam mogelijk voor te stellen. Daar zijn andere programma’s voor. Ik vraag alleen wat er aan de hand is, ik vraag naar motieven. Als iemand ontwijkend antwoordt, dan vraag ik door. Ik zit daar namens het publiek, die willen dat ook weten. En als ze gauwer tevreden zijn dan ik dan moeten ze dat zelf weten. Dan zijn zíj stom, niet ik.”
“In theorie is dat mooi,” zei Huberne, “maar in de praktijk is het terreur. Ik weet toch precies hoe het gaat. Ik heb het toch honderden keren gezien. Jawel excellentie, dat zegt u nu wel, maar in 1948 heeft u toch maar gesuggereerd dat negers stinken. Nee, dat heb ik niet, ik heb toen de mogelijkheid niet uitgesloten, omdat ik toen niet alle gegevens had. Dat kan wel wezen excellentie, maar toch is dat sinds 1948 maar in het gedachtenleven van een hoop mensen binnengeslopen, dank zij u. U had daar als politicus geen grond aan mogen geven. Maar in de loop der jaren kan een mens van inzicht veranderen, ik bezweer u dat ik niet geloof dat, in het algemeen gesproken, negers meer stinken. Ha, u zegt daar: in het algemeen gesproken, dus u bent er in wezen niet van overtuigd. Ik zeg dat alleen, meneer Miljoen, omdat ik aanneem dat er ook negers zijn die zich niet wassen, zoals er ook blanken zijn die zich niet wassen. Andere negers voeden zich misschien met tropische kroten die in de huid een chemische reactie veroorzaken waardoor ze uitwasemen, zoals ook blanken door lang haring te verkopen kunnen gaan ruiken. Waarom trekt u zo’n vies gezicht als u dat allemaal zegt, excellentie, ruikt u míj soms? Nee, meneer Miljoen, u zit te suggereren dat ik een vies gezicht trek, maar ik trek helemaal geen vies gezicht. Dat is mijn eigen gezicht en dat weet u best. Excellentie, u zegt nu, en totaal anders dan in 1948, dat negers in het algemeen niet stinken, hoe bent u nu zo ineens tot die conclusie gekomen. Nee, meneer Miljoen, ik ben niet “ineens” tot die conclusie gekomen, dat zegt u maar. Ik heb in ’48 een stelling van een vraagteken voorzien, later ben ik tot het inzicht gekomen dat dat vraagteken daar onjuist was geplaatst. Mag ik u dan vragen excellentie, hoe weet u dat negers niet stinken? Dat weet ik op wetenschappelijke grond, meneer Miljoen, en zelfs zonder dat zou ik nu nog niet geloven dat negers stinken, dat doen ze niet. Heeft u ooit aan ze geroken, excellentie. Nee, meneer Miljoen dat heb ik nooit gedaan, wat denkt u wel. Hoe kon u dan in 1948 nog vragend stellen dat ze best eens konden stinken, excellentie… zo gaat dat bij jullie,” ging Huberne, enigszins amechtig verder, “en dat noem ik terreur.”
Miljoen haalde zijn schouders op. Hij pakte De Zonsopgang die op het tafeltje lag en begon te lezen, een beetje demonstratief zou ik zeggen.’3

Lees verder →

Noten

  1. Uit: Hofland, H.J.A., Tegels lichten, of ware verhalen over de autoriteiten in het land van de voldongen feiten, 1972, pagina 173
  2. Voor meer hierover, zie Wie is de fictieve journalist?, een onderzoek naar het beeld van de journalist in de Nederlandstalige fictie, Simone Paauw, januari 2006
  3. Ferdinandusse, Rinus, De brede rug van de Nederlandse Maagd, een politiek-romantische sriller onder het motto: ‘Wassenaar de meisjes zijn’, 1968, pagina 566-567